Roger Nupie
mary oliver III
SOMETIMES
SOMS
1
Er kwam iets
uit het donker.
Het was niet iets dat ik ooit eerder had gezien.
Het was geen dier
of bloem,
tenzij het allebei was.
Er kwam iets uit het water,
een kop zo groot als een kat,
maar modderig en zonder oren.
Ik weet niet wat God is.
Ik weet niet wat de dood is.
Maar ik geloof dat ze onderling
een vurige en noodzakelijke regeling hebben.
2
Soms
laat melancholie me buiten adem achter.
3
Later stond ik in een veld vol zonnebloemen.
Ik voelde het begin van de midzomer.
Ik dacht aan de zoete, elektrische
slaperigheid van de schepping,
toen het begon te breken.
In het westen pakten wolken zich samen.
Donderkoppen.
Binnen een uur was de lucht er vol mee.
Binnen een uur was de lucht gevuld
met de zoetheid van regen en bliksemschichten.
Gevolgd door de diepe klokken van de donder.
Water uit de hemel! Elektriciteit van de bron!
Beiden gek om iets te creëren!
De bliksem helderder dan welke bloem dan ook.
De donder zonder een slaperig bot in zijn lichaam.
4
Instructies voor het leven:
Wees aandachtig.
Wees verbaasd.
Vertel erover.
5
Twee of drie keer in mijn leven ontdekte ik de liefde.
Elke keer leek het alles op te lossen.
Elke keer loste het heel veel dingen op,
maar niet alles.
Toch was ik zo dankbaar alsof het alles inderdaad
en grondig had opgelost.
6
God, rust in mijn hart
en versterk me,
neem mijn honger naar antwoorden weg,
laat de uren op mijn lichaam spelen
zoals de handen van mijn geliefde.
Laat de kattenkop weer verschijnen -
de kleinste van je mysteries,
waarschijnlijk een wilde neef van mijn eigen bloed
- waarschijnlijk een neef van mijn eigen wilde bloed,
in de zwarte eetkom van de vijver.
7
De dood wacht op me, ik weet het, om
de een of andere hoek.
Dit amuseert me niet.
Het maakt me ook niet bang. Na de regen
ging ik terug naar het veld met zonnebloemen.
Het was cool en ik was allesbehalve slaperig.
Ik liep langzaam, en luisterde
naar de gekke wortels, in de doorweekte aarde,
lachend en groeiend.
NEXT TIME
DE VOLGENDE KEER
Wat ik de volgende keer zou doen is
naar de aarde kijken voordat ik iets zeg. Ik zou
halthouden vlak voordat ik een huis
binnenga en een minuut keizer zijn
en aandachtiger naar de wind luisteren
of naar de stilte van de lucht.
Als iemand tegen me sprak, of het nu ging om
verwijten of lof of gewoon om tijd te verdrijven,
zou ik naar het gezicht kijken, hoe de mond
zijn werk moet doen, en elke spanning zien, elk
teken van wat de stem verhief.
En voor alles, ik zou meer weten - de aarde
die zich schrap zet en zweeft, de lucht
die elk blad en elke veer boven
bos en water vindt, en voor iedereen
het lichaam dat in de kleding gloeit
als een licht.
SLEEPING IN THE FOREST
SLAPEN IN HET BOS
Ik dacht dat de aarde zich
mij herinnerde, ze
nam me zo teder terug, terwijl ze
haar donkere rokken schikte, haar zakken
vol korstmossen en zaden. Ik sliep
als nooit tevoren, een steen
op de rivierbedding, niets
tussen mij en het witte vuur van de sterren
behalve mijn gedachten, en ze zweefden
licht als motten tussen de takken
van de perfecte bomen. De hele nacht
hoorde ik de kleine koninkrijken
om me heen ademen, de insecten en de vogels
die hun werk doen in de duisternis. De hele nacht
stond ik op en viel ik, alsof ik in het water was,
worstelend met een helder noodlot. Tegen de ochtend
was ik minstens een dozijn keer verdwenen
in iets beters.