Roger Nupie
mary oliver II
FORTY YEARS
VEERTIG JAAR
veertig jaar lang zijn
de vellen wit papier
onder mijn handen doorgegaan en heb ik
geprobeerd hun vredige
leegte te verbeteren door
kleine krullen kleine schachten
van letters woorden neer te zetten
kleine opspringende vlammen
niet één bladzijde
was voor mij minder dan fascinerend
een boeiend discours
dat zijn bleke zenuwen verbergt
in de bochten van de Q's
achter de krijgshaftige H's
in de zwemvliezen van de W's
veertig jaar
en zoals altijd stond ik vanmorgen weer
stil terwijl de wereld
nat en mooi terugkomt ik denk
dat taal
niet eens een rivier is
geen boom, geen groen veld
niet eens een zwarte mier die
kordaat discreet
dag in dag uit van de ene gouden
bladzijde naar de andere reist.
I HAPPENED TO BE STANDING
IK STOND TOEVALLIG
Ik weet niet waar gebeden heen gaan,
of wat ze doen.
Bidden katten terwijl ze
half slapend in de zon slapen?
Bidt de buidelrat als zij
de straat oversteekt?
De zonnebloemen? De oude zwarte eik
die elk jaar ouder wordt?
Ik weet dat ik doorheen de wereld kan lopen,
langs de kust of onder de bomen,
met mijn geest gevuld met dingen
van weinig belang, in volledige
aandacht voor mezelf. Een toestand die ik niet echt
een echt leven kan noemen.
Is een gebed een geschenk, of een verzoek,
of maakt het niet uit?
De zonnebloemen branden, misschien is dat hun manier.
Misschien slapen de katten diep. Misschien ook niet.
Terwijl ik dit dacht, stond ik toevallig
net buiten mijn deur, met mijn notitieboekje open,
zoals ik elke ochtend begin.
Toen begon een winterkoninkje in de liguster te zingen.
Het was helemaal doordrenkt van enthousiasme,
ik weet niet waarom. En toch, waarom ook niet.
Ik zou je niet overtuigen van wat je ook gelooft
of wat niet. Dat zijn jouw zaken.
Maar ik dacht, over het gezang van het winterkoninkje,
wat kan dit zijn als het geen gebed is?
Dus luisterde ik maar gewoon, mijn pen in de lucht.
I GO DOWN TO THE SHORE
IK DAAL AF NAAR DE KUST
's Ochtends daal ik af naar de kust
en afhankelijk van het uur rollen de golven
binnen of naar buiten,
en ik zeg, oh, ik voel me ellendig,
wat zal -
wat moet ik doen? En de zee zegt
met haar mooie stem:
Het spijt me, ik heb het te druk.
Elke ochtend wordt
de wereld
geschapen.
Onder de oranje stralen
van de zon verandert
de opgehoopte
as van de nacht
weer in bladeren
en zet zich vast aan de hoge takken -
en de vijvers verschijnen
als zwarte stof
waarop geschilderde eilanden
van zomerlelies.
Als het je aard
is om gelukkig te zijn, zul je urenlang
wegzwemmen langs de zachte paden,
terwijl je fantasie
overal opduikt.
En als je geest de doorn
in zich draagt
zwaarder
dan lood
als het enige is wat je kunt doen
om te blijven ploeteren -
er is nog steeds
ergens diep in je
een beest dat roept dat de aarde
precies is zoals ze het wou -
elke vijver met zijn brandende lelies
is een gebed dat elke ochtend
rijkelijk wordt
gehoord en beantwoord,
of je nu wel of niet
ooit gelukkig hebt durven zijn
of je nu wel of niet ooit
hebt durven bidden.
MORNING POEM
OCHTENDGEDICHT
Mary Oliver