  Het Stille Pand (2006-2021)
Frits Schetsken Antwerpen Conscienceroute
ETAPPE 2: CALVARIEBERG t/m DE MAN OP DE STOEL
CALVARIEBERG. Een eerste calvarieberg stond hier op de brug vanaf 1736, een jaartal dat je terugvindt wanneer je de hoofdletters in de tekst onder het kruisbeeld als Romeinse cijfers optelt. (Even recapituleren: M = 1000, D = 500, C = 100, L = 50, X = 10, V = 5, I = 1.) De tekst luidt “a VobIs VICInis DeI aMabItUr CrUX(I)”, die laatste I is weggevallen. Moeilijk te vertalen, omdat het toenmalige Latijn niet helemaal de huidige regels volgt. Het komt erop neer dat deze calvarie is opgericht door de naburige wijkbewoners voor hun geliefde god aan het kruis. Die Christus aan het kruis hangt er al van 1736, maar links Maria en rechts de apostel Johannes zijn wat later toegekomen, respectievelijk in 1776 en 1782. Het is Jan-Engelbert Pompe die ze gebeiteld heeft, een zoon van de meer bekende vader Walter. Wanneer eind 18de eeuw hier de Fransen ons een nieuwe levensstijl komen brengen, hoort daar niet langer het geloof in Jezus Christus bij, zij richten tempels voor de Rede in. Dus wordt rond 1797 deze calvarieberg neergehaald als een storend reliek van een voorbije tijd. Maar als na de val van Napoléon Bonaparte, zo’n vijftig kilometer verderop bij Waterloo, de Oostenrijkse Nederlanden (wij dus) in 1815 aan de Nederlandse koning Willem I worden toegeschoven, wordt meteen alles weer overeind gezet. Dat het er vandaag nog redelijk uitziet is dankzij twee restauraties: in 1859 door Jos Geefs uit een bekende Antwerpse beeldhouwersfamilie, in 1996-‘ 97 door Sander Peters. Wandel verder om aan je rechterzijde het brede gebouw van de vroegere Hogere Handelsschool te passeren. CAMPUS CAROLUS Al die geleerdheid begint hier met de jezuïeten, die in 1852 een oude kloostertuin kopen en hier hun instituut Saint-Ignace stichten als beroeps- en handelsschool met middelbaar en hoger onderwijs. Ze beginnen een flink schoolgebouw met kapel neer te zetten, dat in 1858 gereed komt. Maar in 1932 verhuist die jezuïetenschool samen met patroonheilige Ignatius naar de Prinsstraat om daar uit te groeien tot de Antwerpse universiteit. Hier worden de fraters afgelost door nonnen, de Zusters van Liefde van Jezus en Maria uit Gent – die zusters welteverstaan. Zij maken er een Handelshogeschool voor meisjes van, Sancta Maria, die in 2000 fuseert met de Katholieke Vlaamse Hogeschool tot Lessius Hogeschool, om dan vanaf 2012 overgenomen te worden door de Leuvense universiteit (KU Leuven) en verder door het leven te gaan als Campus Carolus van de Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen. Kunt u nog volgen? What’s in a name... Het mag vreemd klinken, een Leuvense universiteit die opleidingen organiseert in universiteitsstad Antwerpen. Maar de strijd tussen universiteiten lijkt vandaag geen stadsgrenzen meer te kennen en het staat vandaag wellicht beter om te kunnen zeggen dat je aan de Leuvense universiteit studeert, dan aan Sancta Maria. Voorbij de Sudermanstraat – door eigentijdse jongeren omgedoopt tot Supermanstraat – zie je aan je rechterzijde een muurschildering. STRIPMUUR ‘KAAS’ Je ziet hier een deel van de voorplaat van de door Dick Matena verstripte roman ‘Kaas’ van Willem Elsschot. Hoofdfiguur in dat boek is Frans Laarmans, de man die je hier ziet met een tas vol kaasbollen. Matena heeft hem op basis van foto’s de uiterlijke trekken gegeven van Willem Elsschot zelf, omdat het verhaal uit het boek in de ik-vorm is geschreven. Het idee om literaire werken in stripvorm te gieten is bij Dick ontstaan in december 2000 na een discussie met de bekende Nederlandse striptekenaar Maarten Toonder. Matena werkt op dat moment voor Toonder aan verhalen van Tom Poes, maar is niet gelukkig met de tekstballonnen in die strip. Hij vindt dat wat kinderachtig voor Tom Poes en Heer Ollie B. Bommel en wil terug naar de oude tekstweergave onder de strip, of beter nog, de tekst integraal verwerkt in de tekening. Daar voelt Maarten Toonder echter niets voor. Wanneer Dick Matena diezelfde decembermaand nog eens het boek ‘De avonden’ van Gerard Reve herleest, besluit hij dat verhaal op die door hemzelf bedachte wijze te verstrippen. Zowel Reve als uitgever De Bezige Bij zijn enthousiast en de strip ‘De avonden’ verschijnt in 2003 en 2004 in vier delen. Het wordt een succes en Matena werkt verder om op dezelfde wijze van literatuur strips te maken – “niet van strips literatuur”, stelt Dick zelf nadrukkelijk. Na ‘A Christmas Carol’ van Charles Dickens in 2004 en ‘Kort Amerikaans’ van Jan Wolkers in 2006 laat de tekenaar zich in een televisieprogramma ontvallen dat hij wel eens iets van Elsschot zou willen verstrippen. Het Willem Elsschot Genootschap pikt daarop in en zo verschijnt het stripverhaal ‘Kaas’ in 2008, kort daarop nog gevolgd door ‘Het dwaallicht’. Hier zie je de 6de stripmuur van de Antwerpse striproute ‘Muurvast’, waarvan je op onze route nog een tweede voorbeeld gaat tegenkomen. De gekozen plaats is niet toevallig, het is een muur van de Antwerpse Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience. Daar leen je geen boeken om thuis te lezen, maar kan je enkel binnen de bibliotheek boeken, tijdschriften of kranten inkijken. Het lidmaatschap is gratis, maar alles wat je wilt lezen moet je vooraf reserveren. Bibliotheekmedewerkers zoeken het voor je op en leggen het klaar. Je kiest uit de catalogus op het internet. Het is ook mogelijk fotokopieën van werken te laten maken of scans thuis op je computer te krijgen. Bovendien worden er regelmatig tentoonstellingen gehouden of activiteiten georganiseerd. Schuin tegenover ‘Kaas’ ziet er een gevel uit als een kapel, al huist er vandaag een restaurant. SINT-ANNAGODSHUIS Korte Nieuwstraat 18. Het tweede godshuis op onze route, ditmaal voor zes weduwen, die hier in 1400 een huisje vonden dankzij weduwe Elisabeth Hays en Boudewijn de Riddere. Een kapel aan de straatkant hoort er ook bij. Later wordt het beheer overgenomen door aalmoezeniers van de Armenkamer – een stadsinstelling. In de Franse tijd wordt dat het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen, later weer overgenomen door de Commissie van Openbare Onderstand tot de laatste bewoner van dit redelijk welvarende godshuis in 1963 vertrekt. Intussen wordt de kapel al sinds de 19de eeuw verhuurd. Eerst als atelier van beeldhouwer Frans Joris, dan wordt het een boekenmagazijn voor de stadsbibliotheek aan de overzijde en daarna komt er nog een melkboer zijn bussen en flessen stallen. Nu kan je hier gaan eten. Het heet vandaag niet langer Sint-Anna. Zij was de oude moeder van Maria, waardoor haar naam wel paste bij die weduwen, maar niet hip genoeg klinkt voor de eigentijdse toerist of Antwerpenaar. Je kan een kijkje nemen op het pleintje achter de kapel waar links en rechts vier huisjes staan, al zijn die niet meer de oorspronkelijke woningen van 1400, maar hun versie uit 1829. Loop door de lange gang in de woning naast de kapel tot op de binnenplaats. Iets verderop is er nog zo’n speciaal geveltje. De CONINCK VAN SPAIGNIEN Korte Nieuwstraat 12. Heel smal, maar het is slechts de 18de-eeuwse poort naar een achterliggend huis dat uit diverse vleugels rond een binnenplaats bestaat. Daar kan je niet zomaar naar binnen. Alles begon hier echter in 1445 met een steegje van zeven huizen. Rechts tegen de poort leunt Het Lammeken, met mooi halsgeveltje van rond 1700, in laatbarok. Sla rechts de Sint-Pieter- en -Paulusstraat in. Een stuk verder, links op de hoek met de Jezuïetenrui, zie je een van de vele Antwerpse Mariabeelden, maar dit heeft een verhaal. ONZE-LIEVE-VROUW MEDEVERLOSSERES Sint-Pieter- en -Paulusstraat 2. Wanneer op 25 augustus 1830 in de Brusselse Muntschouwburg een vurige aria wordt gezongen, wordt een smeulend ongenoegen van het publiek aangewakkerd en ontstaat er een oproer dat zich op straat voortzet. De Belgische Opstand tegen koning Willem I der Verenigde Nederlanden is uitgebroken en krijgt meteen steun vanuit Luik. Wanneer opstandelingen richting Antwerpen komen afzakken, ontstaat er tussen 24 en 26 oktober 1830 een slag bij Berchem, waarbij onder andere Frédéric de Merode dodelijk gewond raakt. Toch slagen de opstandelingen erin om de stad binnen te dringen op 27 oktober. In Antwerpen is op dat moment een Nederlandse legereenheid onder leiding van generaal David Chassé aanwezig. Hij trekt zich die dag terug in de Antwerpse citadel op het Zuid. Er is een afspraak gemaakt met de opstandelingen dat hij niets zal ondernemen, wanneer ook zij zich onthouden van vernielingen. Maar als een latere groep opstandelingen in Antwerpen arriveert, wordt er een raid gehouden op het krijgsarsenaal aan de Kloosterstraat om aan wapens te geraken. Het verbreken van de afspraak zet Chassé ertoe aan een zeven-en-een-half uur durend artilleriebombardement op de stad te ontketenen, gesteund door een vlooteskader op de Schelde. Er wordt grote schade aangericht, zowat de volledige Kloosterstraat brandt af en ook elders wordt schade aangericht. De allerlaatste kogel die vanuit de citadel wordt afgevuurd treft op 27 oktober 1830 dit huis, dat wel erg beschadigd wordt, maar waarbij geen slachtoffers vallen. Uit dankbaarheid laat bewoner Gouy- Van Broeckhoven na de herbouw van zijn woning dit Mariabeeld aanbrengen. Bij een recente restauratie door Jeroen Boel heeft Jezus zijn kruisstaf herkregen, waarmee hij de duivelse slang de genadesteek toebrengt. Maar blijkbaar heeft Gaia een succesrijk pleidooi gehouden tegen dierenleed, met het weer wegwerpen van die kruisstaf als gevolg. Ga nu rechts het Jezuïetenhol binnen, de doorgang naar een Italiaans ogend plein. Maar loop niet te snel hierdoor heen, kijk even links naar een groot bronzen gedenkteken, waarop een man in reliëf jouw richting uitkijkt. GEDENKPLAAT AUGUST SNIEDERS Jezuïetenhol. De man die hier gehuldigd wordt was ‘Letterkundige’ - links ouders die hun naakte kind een boek aanreiken, het begin van een verloren onschuld. Maar Snieders was ook ‘Dagbladschrijver’, waarvoor rechts een uitgelezen man uit de coulissen opduikt. Snieders geboortehuis stond aan de Markt in het Nederlandse dorp Bladel, dat je langs de weg Eindhoven-Turnhout moet zoeken. Een oud groot huis uit 1689, waar de familie Snieders in 1806 komt wonen en August op 8 mei 1825 wordt geboren als jongste van negen zonen. Ginds is er echter geen steen meer van over, het huis is in 1960 gesloopt om de Markt te vergroten. Alleen een bronzen plaquette op de nieuwbouw vertelt je ‘zoek niet langer, ik ben er niet meer’. Van jongs af heeft August iets met letters en woorden, dus begint hij in 1842 als letterzetter bij een drukker in ’s-Hertogenbosch. Al twee jaar later verruilt hij dat bedrijf voor de zetterij van het Antwerpse Handelsblad, een katholiek-liberale krant. Lang hoeft hij niet tussen de drukpersen te staan, al in 1845 wordt August redacteur van de krant. En zodra hij het vanaf 1849 tot hoofdredacteur schopt, gaat de reputatie van Het Handelsblad met sprongen omhoog, wordt het een toonaangevende krant en August een van de meest gereputeerde journalisten van de hele 19de eeuw. Hij ontvangt er zelfs een eredoctoraat in de Letteren en Wijsbegeerte voor van de Leuvense universiteit. Maar Snieders is dan ook een ware voorvechter van de katholieke én Vlaamse idealen. Blijkbaar is in zijn dagen het jagen op nieuws nog te combineren met het schrijven van literair werk. August Snieders debuteert in 1848 met de dichtbundel ‘Mijne eerste gezangen’ en drie jaar later waagt hij zich ook aan proza met de verhalenbundel ‘Beelden uit ons leven’, waar blijkt dat hij Hendrik Conscience – zo meteen kom je die ook tegen – en Eugène Zetternam heeft gelezen. En als je dacht dat geen mens een roman zou kopen met de naam ‘De gasthuisnon’ en als hoofdpersonage zuster Mathilde, ken je het lezerspubliek uit de 19de eeuw niet – het wordt een bestseller! Maar we bevinden ons dan in de dagen van de grote controverse tussen katholieken en liberalen. Op deze redelijk donkere plek wordt August in de bloemetjes gezet voor de Antwerpse kathedraaltoren. Hij heeft er zelf niets van gemerkt, Snieders was allang dood toen deze hulde hier in 1927 is aangebracht, hij stierf in Borgerhout op 19 november 1904. Maar in 1976 is hij nog eens opnieuw begraven, op het Schoonselhof onder een grafmonument van Albert Poels, vooral bekend van het beeld van Lange Wapper aan het Steenplein. Nog enkele laatste passen en je staat op het Hendrik Conscienceplein te midden van gebouwen waar veel verhalen aan vasthangen, te beginnen met het plein zelf. AUTOVRIJ PLEIN Vandaag wandel je hier over een rustig autovrij pleintje. Dat was niet altijd zo, daar is voor gevochten, op een ludieke wijze. Op 30 mei 1968 richten studenten, kunstenaars en al wie geïnspireerd is door Mei ’68 in Parijs de Vrije Aktie Groep Antwerpen (VAGA) op. Een van de punten uit hun manifest is het autovrij maken van dit pleintje en een sit-in op 23 juni zet die eis hier kracht bij. De week daarop, 6 juli, zijn ze terug. Ze hebben zelfs eigen verkeersborden met ‘Autovrije zone’ bij zich. Maar dat is buiten de Antwerpse politie gerekend. Het verkeer in de Wolstraat verloopt in die dagen nog in de andere richting dan nu. Met een politiebusje zetten de agenten de Wolstraat af, waardoor de auto’s niet anders kunnen dan over het plein verder te rijden. Plots komt er een vrachtwagen aanrijden, waarvan de bestuurder aan de politie toelating vraagt op het plein te parkeren voor het leveren van ijsstaven voor de koeling van een restaurant. Niet overal zijn er dan al grote elektrische koelkasten. Oké, de wagen mag lossen. Bestuurder Ludo Loose, kunstenaars Hugo Heyrman en Panamarenco stapelen de ijsstaven schrijlings in grote kubussen op het plein, de zomerse juliwarmte doet alles aaneen smelten tot een complete barrière tegen elke auto. De politie kan niet anders dan hun blokkade van de Wolstraat opheffen. Op 11 juli wordt er gefeest op het plein met witte ballonnen, graszoden en muziek van Wannes Van de Velde. Het stadsbestuur gaat akkoord met een autovrij plein, waarvoor stedelijk architect en VAGA- lid Dries Jageneau het ontwerp mag maken. Zo kan uiteindelijk in 1972 het huidige plein worden ingehuldigd. Ook de grote lindeboom met zitbanken dateert uit dat jaar. Nu eens even kijken naar DE MAN OP DE STOEL Wie is hij en wat doet hij juist hier? Het woord STADSBIBLIOTHEEK boven hem doet je uiteraard vermoeden dat het om een schrijver gaat. Zeg maar Hendrik Conscience, op 3 december 1812 geboren in de arbeiderswijk Sint-Andries als derde kind van Vlaamse moeder Cornelia Balieu en Franse vader Pierre Conscience. Vader was afkomstig uit Besançon en hier al vijf jaar aan het werk op de scheepstimmerwerven, om voor Napoleon Bonaparte een oorlogsvloot te bouwen voor een aanval op Engeland. Doordat Pierre van eenvoudig opzichter intussen is bevorderd tot afdelingshoofd, heeft hij het jaar voor de geboorte van zijn zoon een eigen huis kunnen kopen in de Pompstraat. Lang blijven ze er niet wonen, al in 1815 verhuist het gezin naar het Schipperskwartier, ook niet bepaald een chique buurt. Eenmaal opgegroeid en vanaf 1837 als vertaler aan de slag bij het Antwerpse Provinciebestuur, blijkt Hendrik een voor die tijd apart idee te koesteren. Hij wil boeken gaan schrijven. Niet in het Frans, zoals bij Vlaamse auteurs dan gebruikelijk is, omdat al wie enige opleiding heeft genoten Franse romans leest. Conscience wil echter niet voor een literair salonpubliek schrijven, maar voor de volksmensen, dus in het Vlaams. Zijn ambitie is bij hen een eigen Vlaams zelfbewustzijn te ontwikkelen, binnen de fonkelnieuwe staat België. Hendrik is voorstander van een vernederlandsing van onderwijs, rechtspraak en administratie in het Vlaamse landsgedeelte, maar beschouwt de Walen wel als broeders binnen die Belgische staat, wil zeker geen scheiding. En Hendrik krijgt steun uit onverdachte hoek, koning Leopold I laat de jonge vertaler op audiëntie komen en zegt financiële steun toe. Want Leopold wil zijn piepjonge land een eigen Belgische identiteit geven binnen Europa. Niet simpel, want de bevolking was al van alles geweest, Spaans, Oostenrijks, Frans, Nederlands, maar nooit Belg. In feite voelde men zich verbonden met een stad, streek of dorp: Antwerpenaar, Gentenaar, Kempenaar, Borgerhoutenaar … om meteen maar het dorp te noemen waar Hendrik intussen was gaan wonen in 1828. Met de publicatie in 1837 van ‘In ’t Wonderjaar’ brengt Hendrik Conscience de eerste Nederlandstalige roman in België uit. Opzienbarend, maar qua stijl en intrige niet meteen een meesterwerk. Dat ‘wonderjaar’ is 1566, het jaar van de Beeldenstorm. Bij zijn derde roman blijkt hij enorme vooruitgang op literair vlak te hebben geboekt, ‘De Leeuw van Vlaanderen’ is tot op de dag van vandaag zijn bekendste werk en handelt over een toen vrijwel vergeten slag tussen Franse ridders en Vlaams voetvolk op 11 juli 1302 voor de wallen van Kortrijk, uiteraard gewonnen door dat voetvolk. Over die historisch gezien niet zo belangrijke slag bestond een Franstalige roman uit 1830 van de Frans-Belgische auteur Henri Mohe onder de titel ‘Philippine de Flandre ou les prisonniers du Louvre’, terwijl Nicaise De Keyser juist in die dagen in zijn atelier in het Antwerpse Vleeshuis bezig was aan zijn schilderij ‘La bataille des ésperons d’or’ (De Guldensporenslag). Maar Hendrik heeft ook samen met vriend Jan De Laet in 1838 een studiereis naar Gent, Brugge en Kortrijk gemaakt, daar met diverse mensen gesproken en de plaatsen van de slag zelf bezocht. Van dan af worden Hendriks pennenvruchten door zijn lezers verslonden. Of meer naar waarheid: door velen beluisterd, want omdat lang niet iedereen al kan lezen, worden zijn boeken voorgelezen aan een kring van toehoorders in de volkswijken. Na die succesroman vloeien er nog zo’n 100 romans en ander werk uit Conscience’s pen, van wisselende kwaliteit omdat hij soms ‘om den brode’ een verhaal moest schrijven, ook al is hij ondertussen opgeklommen tot arrondissementscommissaris van Kortrijk en later op eigen verzoek aangesteld als conservator van de Koninklijke Musea voor Schilder- en Beeldhouwkunst in Brussel – een job bedoeld om uit te rusten, assistenten doen het conservatorwerk. In 1881 neemt het Antwerpse stadsbestuur naar aanleiding van Conscience’s honderdste boek het initiatief om een standbeeld van de auteur op te richten bij de toen nieuwe stadsbibliotheek. Beeldhouwer Frans Joris mag die klus klaren en reist daarvoor naar Brussel, waar hij in het Wiertz Museum van Elsene de oude en zieke Hendrik met moeite kan laten poseren. De inhuldiging op 13 augustus 1883 moet echter doorgaan zonder de beroemdheid zelf, Conscience is te ziek om aanwezig te kunnen zijn. Dichter Jan Van Beers houdt een redevoering waarbij hij een door zijn vrouw bedachte legendarisch geworden zin over Conscience uitspreekt: “De man die zijn volk leerde lezen.” Die zin is intussen al honderdduizend keer herhaald wanneer Hendrik te sprake komt, zouden wij anders kunnen?